Welkom bij Barbara Driessen

Welkom bij Barbara Driessen

Pyotle trip

Een inwijding

De beelden waren zo helder, zo duidelijk, die gevoelens zijn niet te beschrijven, alleen te Omschrijven, je draait erom en schrijft over, dat heb ik geprobeerd en beschreven in een verhalende vorm.

Ik sta aan de rand van het klif en kijk in de gapende afgrond. Canyon de Chelly. Als ik nog een stapje naar voor doe word ik duizelig. De kloof boezemt me angst in. Daaronder, in de diepte, zijn de in rotsen uitgehakte woningen van mijn oude volk de Anasazi.

We hebben daar geleefd in een uiterst hard bestaan maar we waren tevreden. Onder in het vruchtbare dal verbouwden we maïs. Als de mannen de maïszaden in de grond hadden gelegd begonnen de feesten die duurden tot de regen kwam. De vrouwen van onze stam verzorgden de gewassen en de oogst. Het was ook mijn taak om op het land te werken, ik begon om vier uur in de morgen en als de zon haar hoogste punt aan de hemel had bereikt dan zat voor mij de werkdag op het land er op. Wanneer er water was in de rivier dan was het middaguur de tijd om te baden. Kinderen speelden er vrij tot bij de bocht van de rivier. Ze moesten wel in het zicht blijven en hielden zich ook keurig aan die voorschriften.

In mijn stam heb ik de rol van praatvrouw. Dat wil zeggen dat alle jonge vrouwen naar mij toe mogen komen om hun verhaal te vertellen of om advies te vragen. Ik luister naar hen en soms geef ik raad of aanwijzingen. En af en toe geef ik opdrachten maar dat is alleen wanneer een vrouw wils zwakte vertoont en als ze de verantwoordelijkheden die bij vrouwzijn horen, niet aan kan.

Men heeft ontzag voor mij en men is toch graag bij mij. Maar men vindt mij ook een beetje vreemd omdat ik met de geesten kan praten. Ze zijn bang dat ik slechte dingen over hen kan afroepen als ze niet goed voor me zijn.

Onze stam maakt prachtig aardewerk. De vrouwen halen klei bij de rivier . Hiervoor hebben ze een speciale mand gevlochten met een lange band die zij om hun schouders bevestigen. Hiermee dalen ze de ladder af terwijl ze voorzichtig, met handen en voeten zorgvuldig aftastend, hun weg zoeken langs de puntige uitsteeksels van de rots. Het weer naar boven klauteren met een volle mand natte klei is steeds een hele klus. Soms zijn de jongens baldadig en dan prikken zij de manden van de jonge vrouwen lek. Zodat onderweg de helft uit de mand verloren gaat. De jongens worden dan bij de dorpsoudste geroepen en gestraft. Ze moeten de voorraadkamer schoonmaken en de maïs zeven, iets wat normaal vrouwenwerk is.

Ook moeten zij soms als straf de nachtpot leeg gooien over de rotswand. We hebben een mooie bruine nachtpot, met blauw beschilderd. Op een avond tijdens een tocht vertelde een jong meisje mij dat ze verliefd was geworden op een jongen van een andere clan, verderop. Ze had hem een paar keer gezien toen ze water ging halen. Hij stond stoer met pijl en boog te oefenen als een echte man. Ze vroeg mij of ik kon en wilde bemiddelen in het contact. Hoewel dit niet tot mijn taak behoorde, interesseerde het meisje me en het gesprek met haar hield me bezig tijdens mijn werk op het land. Op een dag toen ik na mijn werk met een volle mand maïs naar boven klom nam ik een besluit. Ik zette mijn voet steeds een stapje hoger op de uitstekende rots want ik kende het gevaar van de misstap. Halverwege de klim wist ik dat ik helemaal naar boven zou gaan, verder dan ik ooit geweest was. Het was gevaarlijk want daar verderop waren geen stevige punten om mijn voeten op te zetten. Ik wilde overzien, wilde weten of de rondtrekkende stammen waarvan ik gehoord had, in de buurt kwamen. En inderdaad, toen ik boven aan kwam zag ik hen. Drie Apachejongens waren op verkenning. Wat waren zij van zin? Hadden zij iets goeds in hun gedachten? En wist het verliefde meisje beneden, dat om mijn raad en bemiddeling vroeg, wel dat het een Apachejongen was op wie zij verliefd was? Dat gaf toch problemen! De Apachen stonden toch bekend als ruw, onbetrouwbaar en oorlogszuchtig? Wat moest ik aan het meisje melden over wat ik zag? Terwijl ik daar stond en niet meer wist wat te doen, zond ik een gebed naar de Grote Geest. Helemaal verzonken in het gebed met de grote geest, merkte ik niet dat twee Apache jongens dichterbij kwamen. Toen ik opkeek waren ze 4 stappen bij me vandaan. Ik zag dat de ene al een man was met een hard en honend gezicht. Hij grijnsde naar mij terwijl de andere jongen duidelijk niet wist wat hij moest doen en mij niet durfde aankijken. Ik wendde mijn blik af van de jongen en keek naar het onheilspellende gezicht van de man, Zijn ogen keken dreigend. Plots zei hij: wij komen jullie voorraden halen en dat het menens is zal ik jullie Anasazi wel laten zien! Terwijl hij dit zei porde hij mij pijnlijk in mijn rug. Ik struikelde. Ik zweefde. En zweefde. Ik hoorde vaag van bovenaf de rauwe lach van de man en de angstige kreet van de jongen. Ik zweefde verder en voor mijn lichaam neerkwam in de akker die ik in de morgen nog bewerkt had, was mijn geest al vertrokken naar Wipapu, waar alle geesten samen zijn en waken over de vruchtbaarheid van de aarde.